Rasstandaard

Inleiding

Andere benamingen van de hond: Dashond (of in Duits: Dachshund). Kortbenige honden die een afstammeling zijn van de oudste Duitse Jachthondenrassen zoals de Bibarhund, of de Duitse Brak zouden kunnen zijn. Op illustraties uit de 13de eeuw zijn deze brakken aan het werk bij de jacht op de das. Door inkruizen van andere rassen is de dashond ontstaan die de voorouders zijn van onze huidige Dashond (Teckel) . Door het inkruizen van een Pincher is onze (oer)Teckel ontstaan: De kortharige dashond. Door het inkruizen van terriers en schnauzer op de kortharige dashond is de ruwharige dashond ontstaan. Door het inkruizen van o.a. de Cocker Spaniel is de langharige teckel onstaan.

De teckel heet officieel Dashond. Dat verwijst naar zijn vroegere werk, het werken op de das. Van oorsprong werd hij gefokt voor het jagen onder de grond, op vossen en dassen. Aangezien deze dieren groter zijn dan de Teckel zelf, moet ( om bij een eventuele confrontatie te kunnen overleven ) de Teckel over een moedig en zelfstandig karakter beschikken. Immers de jager kan hem onder de grond niet te hulp schieten. Heden ten dage hebben de Teckels vaak deze karaktereigenschappen nog steeds behouden. Men mag van deze honden dus geen slaafse gehoorzaamheid verwachten. Toch is de Teckel ook gehoorzaam te krijgen, alleen duurt dit wat langer en dient men steeds zeer consequent te blijven. De Teckel is een vrolijke hond en is vaak tot op hoge leeftijd speels. Het is een waakse hond en zal graag willen blaffen. Teckels passen zich gemakkelijk aan, bruisen van energie en zijn zeer aanhankelijk. Van welk formaat ook, Teckels kunnen zeer geschikte huishonden zijn.

In 1888 werd de Duitse rasvereniging opgericht voor de kortharige variƫteit. Tegenwoordig kent men drie beharingvarianten: de kortharig, langharige en ruwharige.
In 1903 werd in Nederland de rasvereniging opgericht voor de Dashond.

De zware Teckels van de 19de eeuw komen steeds minder voor. Nu geldt vooral de borstomvang. Een Kaninchenteckel moet inderdaad door een pijp van een konijnenhol kunnen. De Standaard ( gewone ) Teckel weegt bij voorkeur minder dan 9 kg; de Dwergteckel heeft op een leeftijd van vijftien maanden een kleinere borstomvang dan 35 cm en de Kaninchenteckel heeft een borstomvang die kleiner is dan 30 cm.

Korte toelichting: Hou het gewicht van het dier in de gaten en laat hem niet te zwaar worden. Laat het dier niet teveel springen of trappen lopen om te voorkomen dat het last krijgt van zijn rugwervels. Tegenwoordig houden fokkers echter in de gaten dat er geen Teckels met al te lange ruggen worden gefokt.

Rasstandaard

FCI – Standaard Nr.148 / 9.05.2001 / D

DASHOND

Oorsprong: Duitsland

Datum van publicatie van de geldige originele standaard:
13 – 3 – 2001.

Gebruik: Jachthond voor boven en onder de grond.

Klasse indeling FCI: Groep 4, Dashonden met werkproef.

Kort geschiedkundig overzicht:
De Dashond, ook wel Dackel of Teckel genoemd, is bekend sinds de middeleeuwen. Uit brakken werden lopende honden gefokt die speciaal voor de jacht onder de grond geschikt waren. Uit deze kortbenige honden, werd de Teckel gekristalliseerd, die bekend staat als een der meest veelzijdige jacht- gebruikshonden- rassen. Hij laat uitstekende prestaties zien bovengronds bij het luid op spoor jagen, het opstoten van het wild en het zweetwerk. De oudste rasvereniging voor Teckels is de Duitse Teckel Club, erkend en opgericht in 1888. De Dashond wordt sinds vele decennia gefokt in 3 verschillende groottes ( dashond, dwergdashond en kaninchendashond en in 3 verschillende haar variƫteiten ( korthaar, ruwhaar en langhaar).

Algemene verschijningsvorm:
Lage, kortbenige, lang gestrekte, maar compacte gestalte, zeer gespierd, met driest uitdagende hoofdhouding en attente gezichtsuitdrukking. Geslachtstypisch totaalbeeld. Ondanks de in verhouding tot het lange lichaam korte ledematen zeer beweeglijk en vlug.

Belangrijke proporties:
Bij een bodemafstand van ongeveer eenderde van de schofthoogte, moet de lichaamslengte in harmonische verhouding staan tot de schofthoogte van ongeveer 1 op 1,7 tot 1,8.

Eventuele afwijkingen:

Afwijkingen bouw teckel

Afwijkingen bouw teckel


figuur 1 geeft aan 1/4 afstand tot aan de grond; borst te laag bij de grond.
figuur 2 geeft aan 1/3 afstand tot aan de grond; ideaal beeld afgaande op de rassenstandaard.
figuur 2 geeft aan 2/5 afstand tot aan de grond; te hoog.
figuur 3 geeft aan 3/7 afstand tot aan de grond; te hoog.

Gedrag en karakter:
Vriendelijk van aard, noch angstig, noch agressief, met een evenwichtig temperament. Een gepassioneerde, vasthoudende, flinke jachthond met een fijne neus.

Hoofd.

Langgestrekt, van boven en opzij gezien gelijkmatig tot de neusspiegel smaller wordend, echter niet puntig. Wenkbrauwbogen duidelijk uitkomend. Neuskraakbeen en neuspunt lang en smal.

Bovenschedel:
Eerst vlak, geleidelijk met slechts weinig aangeduide stop verlopend naar de licht gewelfde neusrug.

Stop:
Alleen aangeduid.

Aangezicht schedel:
Neusspiegel goed ontwikkeld.

De vang:
Lang, voldoende breed en sterk. Ver te openen, tot ter hoogte van de ogen gespleten.

Lippen:
De lippen zijn strak gespannen, de onderkaak goed bedekkend.

Kaken/gebit:
Sterk ontwikkelde boven en onderkaak. Schaargebit, gelijkmatig en goed sluitend. Ideaal is een compleet gebit met 42 tanden, overeenkomstig de tand formule met krachtige, juist in elkaar grijpende hoektanden.

Ogen:
Middelgroot, ovaal, goed uit elkaar liggend, met heldere, energieke en toch vriendelijke uitdrukking, niet stekend. Kleur glanzend donkerroodbruin tot zwartbruin, bij alle haarkleuren van de hond. Glas -, vis -, of parelogen bij gevlekte honden zijn niet gewenst, echter wel te tolereren.

Behang:
Hoog, niet te ver naar voren aangezet, voldoende maar niet overdreven lang, afgerond, niet smal, puntig of geplooid. Beweeglijk, met de voorste rand dicht tegen de wang aanliggend.
Hals: Voldoende lang, gespierd, strak aanliggende keelhuid; licht gewelfde nek, vrij en hoog gedragen.

Lichaam.

Bovenbelijning:
Harmonisch verlopend van de hals naar het licht afvallende kruis.

Schoft:
Uitgesproken.

Rug:
Na de hoge schoft is het verloop van de verdere borstwervels recht of met een lichte welving naar achter verlopend. Sterk en goed bespierd.

Lendenen:
Krachtig bespierd, voldoende lang.

Kruis:
Breed en voldoende lang. Licht afvallend.

Borst:
Borstbeen goed geprononceerd en zo sterk vooruitspringend, dat aan beide zijden kuiltjes zichtbaar zijn. De borstkas is van voren gezien ovaal, van boven en opzij gezien, zeer ruim. Ze biedt aan hart en longen ruimte voor ontplooiing, ver naar achteren opgeribt.
Bij een goede lengte en hoekingen van het schouderblad en de opperarm, bedekt de voorpoot van opzij gezien het diepste punt van de borst.
Onderbelijning en buik: Licht opgetrokken.

Staart:
Niet te hoog aangezet, in het verlengde van de ruglijn gedragen. In het laatste derde deel van de staart is een lichte kromming toegestaan.

Ledematen.

Voorhand.

Algemeen:
Sterk gespierd, goed gehoekt, van voren gezien droge, rechte voorbenen met goed sterk bot en recht naar voren gerichte voeten.

Schouders:
Zichtbaar gespierd. Lang, schuin liggend schouderblad, vast tegen de borstkas aanliggend.

Opperarm:
Van gelijke lengte als het schouderblad, nagenoeg in een rechte hoek hiermee staand, sterk van bot en goed gespierd, tegen de ribben aanliggend, maar vrij in beweging.

Ellebogen:
Niet naar binnen noch naar buiten draaiend.

Onderarm:
Kort, echter wel zo lang dat de bodemafstand van de hond zowat eenderde van de schofthoogte bedraagt. Zo recht mogelijk.

Voorvoetwortelgewrichten:
De voorvoetwortelgewrichten staan wat dichter bij elkaar dan de schoudergewrichten.

Voor- middenvoet:
De voor middenvoet mag, van opzij gezien niet steil, noch opvallend naar voren gericht zijn.

Voorvoeten:
Goed tegen elkaar liggende tenen, goed gewelfd, met krachtige eeltkussens en korte, sterke nagels.
De vijfde teen heeft geen functie maar hoeft niet te worden verwijderd.

Achterhand.

Algemeen:
Sterk gespierd, in goede verhouding met de voorhand. Knie en sprong gewrichten sterk gehoekt, achterbenen parallel, niet nauw, noch wijd uit elkaar staand.

Bovenbeen:
Moet van goede lengte en sterk gespierd zijn.

Kniegewricht:
Breed en sterk met uitgesproken hoekingen.

Onderbeen:
Kort, bij benadering een rechte hoek vormend met het bovenbeen, goed gespierd.

Spronggewricht:
Krachtig bespierd en droog.

Achter-middenvoet:
Relatief lang, beweeglijk ten opzichte van het onderbeen, licht naar voren gebogen.

Achtervoeten:
Vier strak tegen elkaar liggende tenen, goed gewelfd. Vol op de krachtige zolen rustend.

Gangwerk.
De beweging moet ruim uitgrijpend, vloeiend en energiek zijn, met ruime, dicht bij de bodem liggende passen, krachtige stuwing en een licht veerkrachtige overbrenging naar de ruglijn. De staart moet daarbij in harmonische verlenging van de ruglijn, licht afvallend, gedragen worden. In actie zijn voor- en achterhand parallel uitgrijpend.

Huid:
Strak aanliggend.

Kortharige Dashond.

Haar:
Kort, dicht en glanzend, glad aanliggend, vast en hard, nergens onbehaarde plekken tonend.

Staart:
Fijn en vol, maar niet rijkelijk behaard. Wat langere haren (grannen) aan de onderzijde van de staart is niet fout.

Kleur:
A: Eenkleurige: Rood, roodgeel, geel, alles met of zonder zwarte sticheling. Zuivere kleur gaat voor en rood moet boven roodgeel en geel worden gesteld. Ook sterk zwarte gestichelde honden horen hierbij en niet bij de anders gekleurde. Wit is niet gewenst, maar een enkele vlek is niet uitsluitend. Neus en nagels zwart; roodbruin is ook toegestaan, maar niet gewenst.

B:Tweekleurige: Diepzwart of bruin, ieder met roestbruine of gele aftekening (brand) boven de ogen, aan weerszijde van de mond, aan de onderlip, aan de binnenkant van het behang, aan de voorborst, aan de binnen en achterkant van de benen, aan de voeten, om de anus en van daar af tot eenderde of de helft van de onderkant van de staart. Neus en nagels bij zwarte honden zwart, bij bruine honden bruin. Wit is niet gewenst, maar een op zichzelf staande kleine vlek is niet diskwalificerend. Een te sterk verspreide brand is niet gewenst.

C:Gevlekt: (getijgerd, gestroomd): De grondkleur is altijd de donkere kleur (zwart, rood of grijs). Gewenst zijn onregelmatige grijze maar ook beige vlekken (niet gewenst zijn grote platen). De donkere noch de lichte kleur mag overheersen. De kleur van gestroomde teckels is rood of geel met donkere stroming. Neus en nagels als bij een- en tweekleurige.

Ruwharige Dashond.

Haar:
Met uitzondering van de vang, wenkbrauwen en oren, op het hele lichaam van onderwol voorzien, volkomen gelijkmatig aanliggend, dicht, draadachtig dekhaar. Aan de snuit toont zich een uitgesproken duidelijke baard. De wenkbrauwen zijn borstelig. De oren zijn korter behaard dan het lichaam, bijna glad. De staart goed en gelijkmatig, strak aanliggend behaard.

Kleur:
Overwegend licht tot donker wildzwijnkleurig alsook de kleur van droge bladeren. Verder geldt hetzelfde als voor de kleuren beschreven bij de korthaar a-c.

Langharige Dashond.

Haar:
Het van onderwol voorziene, sluike, glanzende haar, aan het lichaam aanliggend, verlengd zich onder de hals en aan de onderzijde van het lichaam, hangt aan de oren over, toont aan de achterkant van de benen een duidelijk langere beharing (bevedering ), bereikt de grootste lengte aan de onderkant van de staart en vormt daar een complete vlag.

Kleur:
Hierbij geldt hetzelfde zoals bij de Korthaar beschreven onder a) tot c).

Grootte en gewicht.

Standaard dashond:
Borstomvang boven de 35 cm. Bovengrens gewicht ongeveer 9,0 kg.

Dwergdashond:
Heeft een borstomvang van 30 tot 35 cm, op een leeftijd van tenminste 15 maanden gemeten.

Kaninchendashond:
Heeft een borstomvang tot 30 cm, op een leeftijd van tenminste 15 maanden gemeten.

Fouten:
Alle afwijkingen van boven genoemde punten moeten als fout aangerekend worden, de kwalificatie moet in verhouding staan met de graad van de afwijking.
De M3 (Molaren 3) worden bij het keuren buiten beschouwing gelaten. Het ontbreken van twee PM1 (Premolaren 1) is niet als fout te waarderen. Het ontbreken van een PM2 is als fout te waarderen, als behalve de M3, geen andere tanden ontbreken, dus een afwijking van een correct sluitend schaargebit zoals b.v. het tanggebit.

Zware fouten.

*Zwakke, hoogbenige of over de grond slepende gestalte.
*Andere gebitsfouten als onder fouten respectievelijk, uitsluitende fouten, beschreven.

*Glasogen bij andere dan gevlekte honden.
*Puntige, erg gevouwen oren.
*In de schouders hangend lichaam.

*Zadelrug, karperrug.

Zadel- en karperrug

Zadel- en karperrug

*Zwakke lendenpartij.
*Overbouwd zijn ( het kruis is hoger dan de schoft).
*Te zwakke borstkas.
*Windhondachtige opgetrokken flanken.
*Slecht gehoekte voor- of achterhand.
*Smalle, slecht bespierde achterhand.
*Koehakkig of 0 benig.

Hakken stand teckel

Hakken stand teckel


*Binnenwaarts of te ver naar buiten gedraaide voeten.
*Spreidtenen.
*Moeilijke, onbeholpen, schommelende gang.

Fouten beharing.
Korthaar- dashond: *Te fijne, dunne beharing, kale plekken op de oren (leder oren), of andere kale plekken.
*Te grof en al te rijkelijke beharing.
*Borstelige staart.
*Gedeeltelijke of geheel onbehaarde staart.
Ruwhaar – dashond: *Te zacht haar, te kort of te lang.
*Lang haar, naar alle kanten van het lichaam uitstaand.
*Krullend of golvend haar.
*Zacht haar aan het hoofd.
*Staart met vlag.
*Het missen van baard.
*Het missen van onderwol.
*Kortharigheid.

Langhaar – dashond. *Aan heel het lichaam gelijkmatig lange beharing.
*Te sterk gegolfd of ruwhaar.
*Het missen van vlag aan de staart.
*Het missen van overhangend haar aan de oren.
*Kortharigheid.
*Een sterke scheiding van het haar op de rug.
*Te langhaar tussen de tenen.

Uitsluitende fouten.
*Angstige of agressieve dieren.
*Ondervoor en bovenoverbijters, kruisgebit.


*Verkeerde stand van de hoektanden in de onderkaak.
*Ontbreken van een of meerdere Canini of van een of meerdere Incisivi.
*Ontbreken van meer tanden (Premolaar of Molar).
Uitzondering: De onder fouten genoemde twee PM1, een PM2 zonder M3 in aanmerking te nemen.
*Afgezet borstbeen.
*Alle staartfouten.
Staartfouten teckel

Staartfouten teckel


*Zeer losse schouders.
*Knikken in front (voorvoetwortel-gewrichten).
*Zwarte kleur zonder brand; witte kleur met of zonder brand.
*Andere kleuren dan onder kleuren genoemd.

N.B.: Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde teelballen tonen, die compleet in het scrotum zijn ingedaald.